Op de beste momenten gelaagd, gedurfd en verrassend uitwaaierend tussen noise en trance. Op de slechtste momenten inspiratie voor AI-systemen om eindeloze achtergrondmuziek voor meditatieruimtes uit te braken.
Perfecte muziek voor als je 's nachts dronken of stoned in een veld naar de sterren ligt te kijken. Alleen jammer dat ik zelden drink en geen drugs doe. En dan is het toch wat te langdradig.
Onder het gejank en gehuil van Matt Bellamy zitten verrassend stevige en puike rock songs verborgen.
Al het drammerige geneuzel dat het latere R.E.M. zo onuitstaanbaar maakt, zonder het hitpotentieel.
Wat een heerlijke plaat. Dit is muziek als een Italiaans gerecht. Door elke beat, elke synth, elke zanglijn en elk kraakje zo nauwkeurig uit te kiezen en vorm te geven, is dit een schoolvoorbeeld van hoe je met heel weinig ingrediënten een trippy plaat maakt die ontzettend gelaagd en diep klinkt en tegelijkertijd fris en krokant blijft voelen.
Altijd net niet.
Rather brilliant.
Positief: ze hebben een eigen unieke sound
Negatief: ze hebben een eigen unieke sound.
En hoe meesterlijk alle verschillende riffs ook zijn, uiteindelijk klinkt het voor mij allemaal wat hetzelfde op den duur.
Bonuspunten voor one, want dat is toch wel echt 1 van de beste nummers ooit
Er zitten coole ideeën in en af en toe zelfs lekker rock songs, maar het wordt te verstopt onder teveel noise en valse noten. Toen ik 17 was vond ik dit al een rommelige, pretentieuze plaat. Dat is er niet op gebeterd.
Luister naar 'Troy' Van Sinéad O'Connor en je zal horen wat Ute Lemper met dit album probeert te doen. En hoe hard ze tekort schiet. Wat overblijft is een dumpster fire die zelfs door de schare aan ronkende namen op de cover niet kan gered worden.
Nochtans één van de beste songwriters van de voorbije eeuw. Sterke nummers zelfs. En toch pakt het (mij) niet
Laat psychedelische stonede rock nu net mijn minst favoriete deel van de 60s zijn. Zeker als het enkel gecombineerd wordt met mediocere songs.
Goed gemaakt, weinig memorabel.
Meer soul in zijn linker pink dan het gros van de moderne muzikanten samen in heel hun lijf.
Ik mis hoe los en speels albums vroeger mochten klinken.
Muziek als een warm, vers gehaakt dekentje op een winderige herfst avond.
Sterke songs, met een veel gevarieerdere klank dan hun vorige platen. Dit is pure nostalgie, die na la die tijd veel beter recht blijft dan ik verwacht had. Geweldige plaat.
Oh. En (als we de cover van the Everly Brothers even buiten beschouwing laten) 6 wereldwijde hits op 10 songs. Er zijn heel weinig platen die dat nadoen.
Als een oude rottweiler zonder tanden. Het ziet er stoer uit, maar kan nergens bijten, waardoor het het gevaar mist dat ik in rockmuziek wil horen.
Openen met een fuck you track naar de vorige manager waar zelfs Kendrik Lamar van zou blozen om vervolgens uit te pakken met een van de beste, meest gevarieerde, experimentele en tegelijkertijd gemakkelijk luisterbare albums ooit. Faut le faire.
Er zijn niet genoeg superlatieven in de wereld om te beschrijven hoe goed deze plaat is. En stiekem past dat wel perfect bij de band.
Het is met jazzzangeressen een beetje als met popzangeressen. Ze kan goed zingen, ze amuseert zich duidelijk kostelijk op het podium en tegelijkertijd mis ik zonder signature hits een manier om het onderscheid te maken tussen alle varianten op hetzelfde thema.
En dan vragen mijn kinderen zich soms af waarom ik moderne hiphop vaak maar wat saai en samey vindt.
De experimentele en volgens mij bewust provocerende productie kan niet verhullen dat er uiteindelijk slechts 1 min of meer sterke of memorabele song op dit hele album staat.
Je zou door die legendarische stem bijna vergeten dat je ook een waanzinnig goede band hoort die ijzersterke rock songs speelt.
Het heeft heel de dag opgestaan, het is een van mijn favoriete muziekgenres en toch kan ik me er weinig van herinneren. Klinkt goed, maar blijkbaar allesbehalve memorabel.
Het probleem met teveel (goede) muzikanten laten meespelen op je nummers is dat ze zo vakkundig alles plamuren en polijsten, dat je niet meer doorhebt dat je nummers eigenlijk maar bagger en formulatisch zijn.
Het is heerlijk hoe hij op het eerste nummer zijn buigbare stem gebruikt om elke noot en elke klank onverwacht te plaatsen en zo een heel breed palet aan kleuren en subtiele details te schilderen. Het is teleurstellend hoe dat na het eerste nummer stopt en de rest van de plaat daardoor helemaal plat valt in standaard jaren 60 soul. Dat is leuk, maar niet genoeg om me in de plaat in te trekken.
Niet mijn favoriete soort jazz. Misschien als ik er veel tijd in zou steken, dat ik de briljante van de muziek beter zou begrijpen.
Dit is niet hun hitalbum en daar zijn redenen voor. Drammerig, immatuur probeersel van een band die later anderhalve hit gaat scoren en daardoor enkel voer voor die-hard ‘well actually’ fans.
Het Luc de Vos probleem: zoveel focus op teksten en zelfexpressie, dat hij vergeet muziek te maken die ook nog ergens naartoe gaat.
Maar serieus: zou de man helse pijnen lijden als hij een refrein zou schrijven?
Heerlijk catchy poppy nummers die duidelijk meer diepte hebben dan ik op 2 keer luisteren kan bevatten. Dit is een album waar ik met plezier vaak naar wil luisteren om die dieptes te ontdekken.
Puur vakmanschap. Van de uitgebreide arrangementen over de manier waarop hij zijn liedjes vertelt in plaats van enkel zingt tot de bochten waarin de tekstschrijvers zich wringen om uiteindelijk toch elk nummer over de liefde te laten gaan. Daardoor blijft er weinig plek over voor emotie en dat mis ik toch.
Het klagerige gejammer dat voor zang moet doorgaan. De drang om op elke noot een vibrato te zetten om daarmee de luisteraar te proberen overtuigen dat hij er bewust voor kiest om geen toon te kunnen houden. De pretentieuze muziek van een stel conservatorium studenten met grootheidswaanzin. De tenenkrullende teksten vol millennial angst die mij vergeefs proberen te overhalen dat deze navelstaarderij op een of andere manier diepzinnig , interessant of zelfs maar mijn tijd waard is…
Het enige op deze plaat waar ik niet virulent het schijt van krijg zijn de stiltes tussen de nummers. Die mochten wat langer zijn.
Mooi op het randje tussen virtuositeit en inhouden waar goede soul moet zitten.
Het beste nummer op deze plaat is de remix van 19-2000 en dat zegt eigenlijk alles. Dit zijn geweldige ideeën en gedurfde combinaties die verfijning en schwung missen in de afwerking.
Te braaf binnen het stramien kleurend om ooit interessant te worden.
Lekker stevig, beetje rauw en tegelijkertijd poppy en toegankelijk genoeg.
Zo klinisch. Zo minimalistisch. Zo funky. Los van het feit dat zoveel genres van elektronische muziek nooit hadden bestaan zonder deze plaat en de instrumenten die de heren hier zelf voor moesten bouwen, klinkt The Man-Machine na bijna 50 jaar nog steeds fris en modern.
Een stijl die ik dankzij het pionierswerk van dit album al zo vaak gehoord heb, dat het ondertussen niet meer speciaal klinkt en dat is jammer.